Zzp’ers in de sport: waar ligt de grens? 

De lijn tussen zzp’ers en mensen in loondienst wordt steeds dunner. Aangezien veel sportverenigingen draaien met zzp’ers, medewerkers en vrijwilligers als drijvende krachten, doen deze verenigingen er goed aan hun samenwerkingen opnieuw onder de loep te nemen. Daarvoor pleit het Register voor Verenigingsbestuurders (RVVB). Dit heeft voornamelijk te maken met de Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties). Deze wet gaat in op de vraag of iemand werkelijk als zelfstandige actief is bij een vereniging of feitelijk in loondienst is; schijnzelfstandigheid dus.  

Een trainer (zzp’er) die bijvoorbeeld op vaste tijden werkt, door het bestuur wordt aangestuurd, clubkleding draagt, gebruikmaakt van materialen van de club en zich niet mag laten vervangen, loopt een groter risico om als medewerker in loondienst te worden gezien. Wanneer zo’n zelfstandige trainer in de praktijk hetzelfde werk doet als een trainer in loondienst, kan dat leiden tot een onduidelijke arbeidsrelatie. Veel verschillende aspecten om in de gaten te houden dus, maar niet elk punt weegt daarbij even zwaar: het totaalplaatje telt. Belangrijker is namelijk of een zzp’er daadwerkelijk als ondernemer kan werken. Hoe meer een vereniging voor de zelfstandige bepaalt, hoe meer het neigt naar schijnzelfstandigheid.  

De discussie over schijnzelfstandigheid kan soms de indruk geven dat het werken met zzp’ers in de sport nog amper mogelijk is. Wat hierbij vooral geldt, is dat verenigingen moeten kunnen aantonen dat iemand ook echt als zelfstandige werkt. Hiervoor kunnen verenigingen gebruikmaken van modelovereenkomsten die veel sportbonden aanbieden. Het gaat echter niet alleen maar over de overeenkomst op papier, maar vooral over de manier waarop de samenwerking in de praktijk verloopt. De afspraken op papier moeten aansluiten op de dagelijkse praktijk. 

Voor verenigingen is het daarom belangrijk om verder te kijken dan alleen het contract. Hoe zit het bijvoorbeeld met de manier waarop een zzp’er actief is binnen de club? Hoe lang duurt de samenwerking en in hoeverre is iemand voor uitvoering van de werkzaamheden afhankelijk van de club? Zo kan een zelfstandige die langdurig en op een vaste manier onderdeel is van de organisatie, sneller worden gezien als iemand die in loondienst werkt.  

Naast zelfstandigen, wordt aangeraden om ook te kijken naar hoe het zit met de schijnzelfstandigheid van onder meer verenigingsmanagers, terreinbeheerders en coördinatoren. Ook vrijwilligers die structureel een vergoeding ontvangen, verdienen aandacht. Is iemand nu een werknemer, vrijwilliger of zzp’er? En past deze werkvorm nog steeds bij de dagelijkse situatie? 

Een vrijwilliger mag bijvoorbeeld niet onbeperkt een vergoeding krijgen. Komt dit bedrag boven de toegestane norm uit? Dan is het als club noodzakelijk om te kijken naar de juiste nieuwe fiscale en juridische vorm.  

Kortom, schijnzelfstandigheid is geen onderwerp om af te wachten. Door alleen al de huidige situatie binnen de vereniging in kaart te brengen, ben je als club al een heel eind. Kijk kritisch naar de gemaakte afspraken met zzp’ers en vrijwilligers. Twijfel je over de arbeidsrelatie of weet je niet goed hoe verder actie te ondernemen? Neem dan gerust contact met ons op en voorkom zo dat goedbedoelde afspraken later alsnog tot problemen leiden.  

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van informatie uit het artikel ‘Schijnzelfstandigheid vraagt op scherpte van sportbestuurders’ van het Register voor Verenigingsbestuurders (RVVB).